werkende vrouwen
werkende vrouwen
redactie • 23 jan 2014

PARTTIME WERKENDE VROUWEN IN NEDERLAND: DE FEITEN

LOVER-redacteur Eva M. Verbeek schreef afgelopen week een vernietigende repliek op het opiniestuk van Jonathan Price en Diederik Boomsma in NRC waarin ze beweerden dat de emancipatie in Nederland ‘af’ is omdat Nederlandse vrouwen volgens hen niet fulltime wíllen werken. Misschien hadden de twee NRC-auteurs wat beter hun huiswerk moeten doen voor ze hun nauwelijks verhulde conservatisme in woorden goten, want al op 15 januari promoveerde Justine Ruitenberg op de échte redenen waarom veel Nederlandse vrouwen parttime werken – en dat blijkt alles te maken te hebben met geïnternaliseerde gewoonten in onze samenleving, en de druk die er vanuit de sociale omgeving, partners en arbeidsmarkt wordt uitgeoefend om vrouwen parttime te laten werken. Bij hoge uitzondering bevat deze Uitgelicht dan ook geen link naar de resultaten van het onderzoek, we plaatsen de complete tekst van de Universiteit van Amsterdam waar het onderzoek werd verricht integraal door op onze website, zodat iedereen in één oogopslag kan zien wat de feiten zijn.

Nederlandse moeder voelt druk om deeltijd te werken 

Nederlandse moeders met jonge kinderen worden bij hun keuze voor het aantal uur dat ze (willen) werken per week begrensd door hun sociale achtergrond en omgeving. Deze keuze is dus niet zo ‘vrij’ als vaak gedacht.

Ouders, leraren, partners en werkgevers hebben een grote invloed op de beroepskeuze en deelname aan de arbeidsmarkt van moeders. Ook ervaren moeders druk uit hun sociale omgeving om in deeltijd te werken en beperkt van kinderopvang gebruik te maken. Dit blijkt uit onderzoek van Justine Ruitenberg. Zij promoveert op 15 januari aan de Universiteit van Amsterdam.

Ruitenberg onderzocht hoe Nederlandse moeders tot hun keuzes komen op de arbeidsmarkt. Ze enquêteerde 935  moeders met ten minste een thuiswonend kind van 12 jaar of jonger. Daarnaast nam ze bij 39 moeders een interview af.

Het aantal uren dat ze werken blijkt grotendeels overeen te komen met het aantal uur dat ze willen werken. Ruitenberg concludeerde echter dat de arbeidsurenwens van moeders wordt beïnvloed door hun sociale achtergrond en door de Nederlandse sociale norm van deeltijdwerk.

Zo blijkt onder meer dat moeders die veel uren blijven werken vanuit de wens om economisch zelfstandig te zijn (30% van de moeders), daartoe vaak expliciet of impliciet gestimuleerd zijn door een krachtige moeder, of juist door een moeder die klaagde over het huisvrouwenbestaan. Moeders die zich duidelijk gesteund voelen in hun carrière door ouders, leraren, partners en bazen, streven vaker een gelijke rolverdeling met hun partner na en willen meer uren werken. Dit is echter een minderheid. 42% van de Nederlandse moeders heeft zich ooit ondersteund of gestimuleerd gevoeld om op werkterrein het maximale uit zich zelf te halen. 

Deeltijdwerk

Deeltijdwerk is de nieuwe sociale norm geworden voor moeders met jonge kinderen, concludeert Ruitenberg. Zowel fulltime werkende moeders als thuisblijfmoeders krijgen te maken met onbegrip en verwijten vanuit hun sociale omgeving.

De geïnterviewde thuisblijfmoeders willen over het algemeen juist werken, maar door negatieve ervaringen op de arbeidsmarkt en partners die geen concessies hebben gedaan ten aanzien van hun eigen werk, hebben zij onbedoeld de zorg voor kinderen volledig in handen gekregen. Ook de werkende Nederlandse moeders verrichten veel meer huishoudelijke en opvoedingstaken dan hun partners. Toch klagen de geïnterviewde moeders nauwelijks over deze ongelijkheden, maar rechtvaardigen deze vanuit karakterverschillen of de 'natuurlijke’ verschillen tussen mannen en vrouwen. Ongelijkheden tussen mannen en vrouwen worden niet meer gezien als iets gemeenschappelijks dat vrouwen bindt, maar als privékwesties. En daarmee is de politieke emancipatiestrijd weer persoonlijk geworden, aldus Ruitenberg.

Promotiedetails

Mw. J.F. Ruitenberg: Socialized Choices. Labour Market Behaviour of Dutch Mothers. Promotoren zijn prof. dr. P.T. de Beer en prof. dr. C.D.A. Brinkgreve (UU).

Voor het persbericht van de Universiteit van Amsterdam zie ook hier.

 

Uw reactie

Uw reactie