100211 0
100211 0
Nella van den Brandt • 12 feb 2011

SEKSUEEL NATIONALISME EN RACISME, EEN VOORTGAANDE STRIJD (2)

DE CONFERENTIE ‘SEXUAL NATIONALISMS: GENDER, SEXUALITY, AND THE POLITICS OF BELONGING IN THE NEW EUROPE’

De conferentie 'Sexual Nationalisms: Gender, Sexuality and the Politics of Belonging in the New Europe' die de UvA eind januari 2011 organiseerde besloeg twee dagen. De tweede dag bracht een buitengewoon fel debat, waarbij diverse gevoelige plekken kwamen bloot te liggen. Nella van den Brandt, die voor LOVER verslag legt van de conferentie, ziet hierin vooral een uitnodiging tot het blijven stellen van vragen en een voortdurende reflectie op de eigen positie en keuzes.

Conferentie deel twee
Op de tweede en laatste dag van de conferentie schuif ik ’s ochtends om negen uur vol goede moed aan bij het panel dat onder leiding van Judith Butler discussieert over de relaties tussen secularisme en seksueel nationalisme. De interesse in dit thema blijkt groot, de zaal is afgeladen en aangezien er niet genoeg plaats is, zit het publiek op de trappen. Waar in het eerste panel de presentaties en de daarop volgende discussie er gemoedelijk aan toe gaan, ontspint in het tweede panel, dat parallel loopt aan eerstgenoemde en dat ingaat op het thema homonationalisme, homoneoliberalisme en homoneokolonialisme, een verhitte discussie die zijn weerslag zal hebben op de rest van de conferentie.

Met name in het afsluitende panel wordt deze discussie voortgezet. Twee van de hiervoor uitgenodigde sprekers, Jin Haritaworn (Helsinki Collegium for Advanced Studies) en Fatima el Tayeb (University of California, San Diego) besluiten hieraan niet deel te nemen als blijk van hun protest tegen het verloop van de conferentie. Jasbir Puar neemt hun plaats in en geeft met Lisa Duggan (New York University) woorden aan de kritiek die deze sprekers tijdens het tweede panel in de ochtend hebben geuit. Deze herhaling betekent een toelichting van de gebeurtenissen die plaats hebben gehad in de ochtend, maar is vooral een onderstreping van het belang van de aangedragen kritiek. Duggan richt de aandacht op citatie-praktijken binnen de academische wereld. Deze moeten we niet alleen als professionele maar ook politieke praktijken bezien. Doordat onderzoekers vaak verwijzen naar het werk van gevestigde en dus minder vaak naar dat van minder bekende wetenschappers, ontstaat een praktijk van in- en uitsluiting. Citatie-praktijken zouden zich constructief moeten richten op het opbouwen van professionele en politieke netwerken.

Zich hierbij aansluitend, geeft Puar in de eerste plaats in enkele woorden uiting aan de spanning die voor velen op de conferentie voelbaar is geworden: ‘I have never been at such a fucked-up conference before’. Ze stelt dat we in navolging van Haritaworn en el Tayeb moeten reflecteren op de dynamieken van macht en het homonationalisme gaande op de conferentie zelf. Hiertoe is het noodzakelijk dat naast het heroverwegen van citatie-praktijken, ook de instrumentalisatie van raciale anderen aan de kaak wordt gesteld. Waar, zo vraagt Puar, zijn de zwarte onderzoekers? Waarom moeten zij zich verhouden tot een canon van literatuur geschreven door blanke wetenschappers? Als een reactie vanuit het publiek, voegt Butler hieraan toe dat het belangrijk is niet simpelweg naar het aspect van ras of etniciteit te kijken, maar de processen te bestuderen die leiden tot de constructie van groepen en groepsverschillen. Een volgende reactie uit het publiek stelt de vraag naar de arbeidsverdeling: Zou het niet meer zinvol zijn geweest als ook de lokale activisten aanwezig waren geweest in plaats van dat er op de conferentie voornamelijk over activisten werd gesproken?

Wanneer vervolgens de vierde spreker van het panel, Gert Hekma (Universiteit van Amsterdam) met enkele provocerende uitspraken voor de dag komt, waarmee hij voornamelijk zijn eigen onderzoeksagenda en -interesses in de thematiek van pedofilie en queer seksualiteit van kinderen lijkt te willen promoten, zijn boosheid en felle reacties niet van de lucht. Dat verschillende mensen uit het publiek de zaal verlaten uit protest tegen de stelling ‘We all know that muslims are pedofiles’ is ook met oog op de al gespannen sfeer geen verrassing. Voorzitter Jan-Willem Duyvendak (Universiteit van Amsterdam) weet echter het verhitte debat in banen te leiden door ook de positieve kanten van de conferentie te benadrukken. Wijzend op het onbegrip van de kant van de media aangaande het onderwerp van de conferentie, waarmee hij de afgelopen dagen is geconfronteerd, blijken de positieve kanten volgens hem dan ook te liggen in het bespreekbaar maken en problematiseren van het fenomeen seksueel nationalisme, in de belangrijke bijdragen die de deelnemers aan de conferentie hiertoe hebben gemaakt, en in de momenten van reflectie die de deelnemers aangaande de conferentie met zich mee hebben gebracht.

Deze tweede dag van de conferentie stond dan ook in het teken van een kritische ondervraging van niet alleen de politieke, sociale en gender dynamieken gaande in huidige Europese samenlevingen, maar ook van de machtsverhoudingen die prevaleren binnen de academische wereld zelf. Het feit dat er zo een fel debat ontstond, waarbij gevoelige plekken bloot kwamen te liggen, nodigt ons uit op reflexieve wijze vragen te blijven stellen. Al met al is de conferentie er dan ook goed in geslaagd de deelnemers te doordringen van de gelaagdheid en veelzijdigheid van de problematiek, en van de noodzaak om zich altijd bewust zijn van de gesitueerdheid vanwaaruit je spreekt, en te reflecteren op wie je met jouw eigen politieke en academische praktijken in- dan wel uitsluit.

Een audio-opname van delen van deze conferentie is hier te beluisteren.

Lees ook het verslag van de eerste dag en dat van het debat dat de avond tevoren in de Balie plaatsvond.

Nella van den Brandt studeerde Culturele Antropologie, Arabische Taal en Cultuur, en Vrouwenstudies aan de Universiteit Utrecht. Sinds juni 2010 is zij PhD kandidaat aan het Centrum voor Interculturele Communicatie en Interactie (CICI) aan de Universiteit van Gent, en verricht onderzoek op het gebied van feminisme, diversiteit en interreligieuze dialoog. Tevens is zij assistent redacteur van het nieuwe open access tijdschrift Religion and Gender.

Uw reactie

Uw reactie

janiek

maandag 14 feb 2011 00:00

Ah ja, afstand. Ik zou met genoegen wat meer afstand hebben ;-).

Brenda van der Veer

zondag 13 feb 2011 00:00

Ja Janiek, er gaat niets boven onafhankelijkheid! Al mag ik graag van een afstand naar het identiteits-chauvinisme staan te staren.

janiek

zondag 13 feb 2011 00:00

LOL :-)! Wordt dat in het verslag niet "homoneokolonialisme" genoemd ;-)?

Volgens mij bestaat er wel een heleboel "niet-queere" transseksualiteit, maar die heeft inderdaad bitter weinig plek binnen het vertoog van "queer politics". En dat vertoog is momenteel nogal dominant in het zichtbare en actieve deel van de trans wereld.

Brenda van der Veer

zondag 13 feb 2011 00:00

De emoties zijn begrijpelijk. Zo is transseksualiteit ook volledig gegekoloniseerd door 'queer politics.' Naar mijn smaak zou ik 'queer politics' als een homoseksueel patriachaat willen omschrijven. Een patriachaat met trans-nationale ambities, dat wel.